De gegroeide pluriformiteit in het onderwijs zal bij veelvuldiger bezoek van de inspectie ten koste gaan van het 'traditionele onderwijs' aan allochtone leerlingen. Eddie Denessen vindt dat een slechte zaak.
DEZE week werd bekend gemaakt dat de Tweede Kamer van zins is om de inspectie
van het onderwijs sterk te intensiveren. In plaats van een vierjaarlijks bezoek
van de onderwijsinspecteur is nu het voorstel gelanceerd om dit bezoek jaarliiks
te laten plaatsvinden, terwijl de roep om autonomie van scholen de laatste tijd
enorm is toegenomen.
De onderwijsinspectie heeft als belangrijkste taken toezicht op de naleving
van de wettelijke voorschriften (controletaak) en het bekend blijven met de
toestand van het onderwijs, onder meer door het bezoek van scholen (evaluatietaak).
Deze taken kunnen op verschillende manieren worden ingevuld. De inspectie kan
op afstand toezicht houden op het onderwijs, door feitelijk te registreren wat
er op een school gebeurt en het niveau van uitstroom van leerlingen te vergelijken
met het niveau van de instroom, om zicht te krijgen op de kwaliteit van het
onderwijs.
De afgelopen jaren is de bemoeienis van de onderwijsinspectie hand over hand
toegenomen. Naast het toetsen van het onderwijs aan wettelijke regelingen bemoeit
de Onderwijsinspectie zich steeds meer met de wijze waarop leerkrachten met
leerlingen omgaan. De school krijgt van de inspecteur een onvoldoende of voldoende
voor het pedagogisch?didactisch klimaat dat op een school heerst.
Het zijn met name scholen die worden gekenmerkt door een 'traditionele' aanpak,
die van de inspectie vaak een onvoldoende krijgen. Een goed gestructureerde
les waarin de regie bij de docent ligt en waarbij de overdracht van kennis centraal
staat, is taboe voor de inspectie. De inspectie legt de scholen een norm op
van actief en op zelfstandige leerlingen gericht onderwijs.
Met name scholen met een hoog percentage leerlingen uit sociaal-economische
of allochtone minderheidsgroepen, waar relatief veel 'traditioneel' onderwijs
wordt gegeven, krijgen van de Onderwijsinspectie het predikaat 'problematisch'.
En dat terwijl dit type onderwijs juist beter aansluit bij de thuiscultuur van
deze leerlingen dan het 'moderne' onderwijs dat als norm wordt gesteld door
de Onderwijsinspectie.
Uit onderzoek blijkt dat 'traditioneel' onderwijs uitermate effectief kan zijn
voor leerlingen uit minderheidsgroepen. Zo stelt het Multicultureel Instituut
Utrecht in een rapport over allochtone leerlingen in de Basisvorming, dat deze
week werd aangeboden aan het Tweede Kamerlid Mohamed Rabbae van GroenLinks,
dat zeker allochtone leerlingen gebaat zijn bij een duidelijke structuur, concrete
opdrachten en op kennis gericht onderwijs. Zowel de ambtenaren op het ministerie
van OC&W als de inspectie kijken met een 'middenklasse-oog' naar het onderwijs
en hebben een ideaaltypisch beeld van een goede school.
Ook dit druist in tegen ideeën van een pluriforme samenleving, waarin juist
verschillen tussen culturen gerespecteerd dienen te worden. Dat geldt ook voor
het onderwijs. Diversiteit is geen slechte zaak; 'traditioneel' onderwijs doet
niet onder voor 'modern' onderwijs, Daarom zouden beleidsmakers en inspecteurs
minder normatief moeten functioneren en meer op de achtergrond een globale toetsing
moeten uitvoeren van de kwaliteit van het onderwijs. Bovendien kan de grote
som geld die met een intensivering van de inspectie is gemoeid beter aan de
scholen worden gegeven om vanuit hun eigen situatie vernieuwingen te realiseren
die recht doen aan de diversiteit van wensen en behoeften van leerlingen en
de ouders van hun school.
Door een intensivering van de Onderwijsinspectie wordt de wurggreep op het onderwijs vergroot. Voor de ontwikkeling van autonome scholen is juist een inperking van de rol van de inspectie aan te bevelen.
Eddie Denessen is docent bij de sectie Onderwijs en Educatie van de Katholieke Universiteit Nijmegen.
Uit De Volkskrant van 9 november 2001